De politieke situatie in Azerbeidzjan
De blik op het westen
In oktober 1998 vonden in Azerbajdzjan presidentsverkiezingen plaats. De voorgeschiedenis van deze verkiezingen kreeg veel aandacht omdat er veel te doen was over de kieswet, de boycot door de belangrijkste oppositiekandidaten en andere onregelmatigheden in de aanloop naar de verkiezingen. Uiteindelijk was de uitslag bepaald niet verrassend: de zittende president Geidar Alijev behaalde een afgetekende overwinning, de oppositiepartijen schreeuwden moord en brand en de buitenlandse waarnemers plaatsten kritische kanttekeningen. Niettemin zit de voormalige KGB-generaal stevig in het zadel. In dit artikel wordt het politieke en electorale proces in Azerbajdzjan nader beschouwd. Hoe werkt dit proces in een semi-democratische, voormalige sovjetrepubliek?
Azerbajdzjan is een land van zo'n 86.000 vierkante kilometer, ruim twee keer Nederland, en telt 7,5 miljoen inwoners. De bevolking bestaat overwegend uit Azeri (85 procent). Verder leven er Russen (vier procent), Armeniërs (twee procent), Tataren, Lesgiërs en diverse ander minderheden. De taal is Azerbajdzjaans (een Turkse taal), maar het Russisch speelt een zeer grote rol. Een groot deel van de politieke, ambtelijke en economische elite drukt zich beter uit in het Russisch dan in het Azerbajdzjaans. Azeri wordt overigens pas sinds 1992 in het Latijnse schrift geschreven, daarvoor werd het Azeri geschreven in een -door Stalin voor dit doel aangepast- cyrillisch schrift.
Azerbajdzjan ligt ingeklemd tussen Rusland en Georgië aan de noordkant, Armenië in het westen en Iran in het zuiden. De oostelijke grens wordt gevormd door de Kaspische Zee. Ongeveer 90 procent van de bevolking is moslim, maar fundamentalisme is zeldzaam.
De Azeri zijn relatief goed opgeleid; minder dan vijf procent van de bevolking is analfabeet. De economische vooruitgang verloopt traag en moeizaam, maar omdat het land bij wijze van spreken drijft op olie zijn de vooruitzichten voor de langere termijn goed. Er zijn vele miljarden dollars geïnvesteerd of toegezegd voor de nabije toekomst. De keerzijde is dat er over diversificatie van de economie niet echt nagedacht wordt, noch door de regering, noch door de oppositie.
Onafhankelijkheid
In 1918 werd door een nationalistische regering een onafhankelijk Azerbajdzjan uitgeroepen met Ganji als hoofdstad. Deze onafhankelijkheid was echter van korte duur. In april 1920 trok het Rode Leger het land binnen en op 28 april 1918 was de Sovjetrepubliek Azerbajdzjan een feit. In de periode 1922-1936 maakte Azerbajdzjan, met Armenië en Georgië, deel uit van de Transkaukasische Federatieve Socialistische Sovjetrepubliek om vervolgens weer een volle republiek van de Unie te worden: de Socialistische Sovjet-Republiek Azerbajdzjan. Nadat Michaël Gorbatsjov in 1985 aan de macht was gekomen en zijn strijd tegen corruptie en machtsmisbruik was begonnen, groeide ook in Azerbajdzjan de onvrede over de economische situatie en andere misstanden. Azerbajdzjan had altijd al een handelsoverschot met de rest van de Sovjet-Unie, maar de inkomens in de republiek behoorden tot de laagste van de Unie. Een andere aanleiding voor openlijke ontevredenheid was de situatie in Nagorno-Karabach. Het conflict in Nagorno-Karabach begon in februari 1988 met het verzoek van de autoriteiten daar om het gebied over te dragen van Azeröbajdzjan naar Armenië. Moskou en Baku reageerden afwijzend en dit leidde tot massale demonstraties in de Armeense hoofdstad Jerevan en Nagorno-Karabach zelf. Azeri begonnen Armenië te verlaten en geruchten dat de Azerbajdzjaanse vluchtelingen onderweg waren aangevallen, vormden een van de aanleidingen voor drie dagen anti-Armeens geweld in de Azerbajdzjaanse stad Soemgait. Officiële cijfers spraken van 32 doden, waarvan 26 Armeniërs; de Armeniërs schatten het aantal slachtoffers aanzienlijk hoger in. De 'pogrom van Soemgait' zorgde ervoor dat Azerbajdzjan vanaf het begin van het conflict in de internationale publieke opinie de schurkenrol toebedeeld kreeg en verantwoordelijk werd gesteld voor het jarenlange geweld dat zou volgen. Dit is echter een uiterst dubieuze redenering: beide partijen hebben zich schuldig gemaakt aan geweld tegen burgers en vluchtelingen, soms 'spontaan' soms georganiseerd. De autoriteiten in Moskou begonnen zich, nadat het conflict een gewelddadige wending had genomen, te bemoeien met de situatie in Nagorno-Karabach. Er volgden een aantal jaren van onduidelijk beleid temidden van groeiend geweld in de enclave. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel en Azerbajdzjan op 18 oktober 1991 de onafhankelijkheid uitriep, sloeg de vlam werkelijk in de pan en brak er een heuse oorlog uit. De Karabach-Armeniërs, op alle mogelijke manieren gesteund door Armenië - het Armeense leger vocht mee in Nagorno-Karabach -, waren al snel aan de winnende hand. Hierbij speelde verder de, eerst heimelijke en later openlijke, militaire steun van de Russen een rol van doorslaggevend belang. Naar schatting een miljard dollar aan wapens werd 'geschonken' aan Armenië, een enorm bedrag zeker in vergelijking met het defensiebudget van Azerbajdzjan. Ook de Armeense diaspora die, met name in de Verenigde Staten, een grote rol speelde, hielp Armenië, niet alleen materieel, maar ook door een succesvolle mediacampagne, die de (christelijke) Armeniërs afschilderde als slachtoffers van de schurkachtige (islamitische) Azeri.
Tegenwoordig houdt Armenië nog steeds zo'n 20 procent van het grondgebied van Azerbajdzjan bezet, dus niet alleen Nagorno-Karabach, maar ook grote gebieden rond de enclave. Naar schatting een miljoen vluchtelingen verblijven in Baku en in kampen rond die stad. Aan de gevechten is een einde gekomen, iets waar veel Azeri blij mee zijn; militair is het land niet opgewassen tegen Armenië en de uitzichtloze strijd werd door velen als zinloos ervaren. De huidige regering wordt tot op zekere hoogte gewaardeerd voor het beëindigen van die strijd. Het onderliggende conflict is echter nog lang niet opgelost. De zogenaamde Minsk-groep van de OVSE probeert zonder al teveel succes te bemiddelen. Het slepende conflict rond Nagorno-Karabach vormt een permanent decor voor ieder politiek debat in Azerbajdzjan.
Politieke slangenkuil
President Geidar Alijev heeft - op indirecte wijze - zijn positie ook te 'danken' aan Nagorno-Karabach. De eerste twee presidenten van Azerbajdzjan sinds de onafhankelijkheid in 1991, Ayaz Moetalibov en Jagoeb Mamedov, traden af of werden afgezet, omdat zij het tij in de enclave niet konden keren. In juni 1992 werd de leider van het Volksfront, Abulfaz Elchibey, met ruime meerderheid gekozen tot president. Evenals zijn voorgangers wist hij het conflict rond Nagorno-Karabach niet in Azerbajdzjaans voordeel om te buigen. Door het zich voortslepende conflict ontstonden in het hele land tekorten aan voedsel, brandstof en ander eerste levensbehoeften. Tezamen met het enorme vluchtelingenprobleem leidde dit tot steeds meer demonstraties en onrust. In juni 1993 trok een opstandelingenlegertje onder leiding van kolonel Soerat Husseinov op naar Bakoe. Alijev, op dat moment parlementsvoorzitter in de Azerbajdzjaanse provincie Nachitsjevan, werd door Elchibey naar Bakoe ontboden en benoemd tot voorzitter van het nationale parlement, de Milli Majlis. Even later ontvluchtte Elchibey onder druk van de opmars van Husseinov Bakoe en nam Alijev de presidentiële bevoegdheden over. In oktober werd zijn machtsovername gelegitimeerd door presidentsverkiezingen (geboycot door het Volksfront) die Alijev met 98,8 procent van de stemmen wist te winnen.
Alijev heeft sinds 1994 gestaag zijn greep op de macht verstevigd. De oppositiepartijen, met name het Volksfront, werden met enige regelmaat het slachtoffer van intimidatiecampagnes, waarbij partijactivisten werden opgepakt en hoofdkwartieren werden doorzocht. De media kregen steeds vaker te maken met directe en indirecte vormen van censuur. Het grootste waagstuk van Alijev was het staakt-het-vuren dat hij in mei 1994 met Armenië sloot. Deze stap leidde tot woedende demonstraties van de oppositie, maar, in tegenstelling tot die van zijn voorgangers, was de positie van Alijev inmiddels sterk genoeg om de protesten het hoofd te kunnen bieden. Voor een beeld van de politieke situatie aan de vooravond van de verkiezingen van oktober 1998 is het nuttig het partijenlandschap eens nader te beschouwen.
Partijenlandschap
De Nieuwe Azerbajdzjaanse Partij (YAP) is in september 1992 opgericht door Alijev als alternatief voor het Volksfront, dat op dat moment aan de macht was. Alijev had al een lange carrière in de Azerbajdzjaanse communistische partij achter zich en was vice-premier van de Sovjet-Unie totdat Gorbatsjov hem - blijkbaar vanwege corruptie - ontsloeg. De YAP functioneert sinds Alijev in 1993 de macht overnam niet als politieke partij maar als verkiezingsplatform voor Alijev. Een ideologie heeft de partij niet en dat pretendeert ze ook niet. Zo heeft de partij aanvragen voor lidmaatschap ingediend bij de Liberale Internationale, de Socialistische Internationale en de Internationale Democratische (lees: conservatieve) Unie.
In feite is het echter het presidentiële apparaat dat functioneert als partij, althans in de zin van het organiseren van activiteiten en campagnes. Dit apparaat wordt bemand door uiterst ervaren en goed opgeleide apparatsjiks die zonder uitzondering precies weten wat een politicus uit West-Europa wil horen. De presidentiële staf wordt ondersteund door een netwerk van staatsbedrijven en media, die geleid worden door trouwe vrienden of familieileden van de president. Alijev en de YAP hebben dus geld maar ook vervoermiddelen, drukpersen en zendtijd die de oppositie moet ontberen. Met name de regionale gouverneurs, direct benoemd door Alijev, spelen een belangrijke rol. Hun ambtelijke apparaten functioneren als afdelingen van de YAP en zij gebruiken bijvooröbeeld de politie om de oppositie onder de duim te houden. In Bakoe, onder het oog van buitenlandse diplomaten en ander waarnemers, houdt de politie zich meestal wel in. Buiten Bakoe echter voelt het gezag zich minder geremd en worden met de regelmaat van de klok bijeenkomsten van oppositiepartijen opgebroken en de aanwezigen bij busladingen gearresteerd. Zelfs buitenlanders zijn daar niet altijd veilig. Dr Wolfgang John, vertegenwoordiger van de Duitse, liberale Friedrich Naumann Stiftung heeft al eens een nacht in een politiecel doorgebracht, nadat hij tijdens een bijeenkomst van een van de oppositiepartijen was opgepakt. De vertegenwoordigers van het Amerikaanse National Democratic Institute for International Affairs (NDI), een instelling van de Democratische Partij en sinds 1995 in Azeröbajdzjan vertegenwoordigd, informeren de presidentiële autoriteiten tegenwoordig als ze bijeenkomsten buiten Bakoe bijwonen, waarna ze meestal ongestoord kunnen werken.
Het Volksfront, of Xalq Cabhasi in het Azerbajdzjaans, is opgericht in 1989, zoals al eerder gezegd, als belangrijkste en indertijd enige tegenwicht tegen de communistische partij. Het front was en is gebaseerd op politieke vrijheden en mensenrechten gecombineerd met een behoorlijke dosis nationalisme. Dat nationalisme uit zich met betrekking tot Nagorno-Karabach, waar de partij een gewapende oplossing voorstaat, maar verschillende leden van het Volksfront mogen zich ook graag dromerig uitlaten over hereniging met de naar schatting 12 miljoen Azeri in Iran.
Recentelijk heeft het Volksfront zich krachtig verzet tegen pogingen van president Alijev om een soort van overeenkomst met Armenië te vinden. Toen Alijev recentelijk zijn Armeense collega Robert Kotsjarjan naar Bakoe uitnodigde ter gelegenheid van een regionale economische conferentie, onder auspiciën van de Europese Unie, schreeuwde het Volksfront moord en brand. Kotsjarjan bedankte overigens voor de uitnodiging en stuurde zijn eerste minister. Het is deze houding waarmee het Volksfront, net als veel andere (nationalistische) oppositiepartijen, in het buitenland veel krediet verspeeld heeft.
Het Volksfront is de leidende partij in het oppositiekamp. De partij weigerde deel te nemen aan de verkiezingen van oktober 1998. Als voornaamste redenen hiervoor werden, niet ten onrechte, het gebrek aan toegang tot de media en de samenstelling van de Centrale Kiesraad genoemd. De partij wordt geleid door Abulfaz Elchibey, die zichzelf nog steeds ziet als de legitieme president van Azerbajdzjan. Het is echter onwaarschijnlijk dat hij het presidentieel paleis ooit nog van binnen zal zien. Zijn gezondheid is slecht; tijdens gesprekken in zijn kantoor moest hij regelmatig het woord geven aan jongere mensen om hem heen zoals eerste vice-voorzitter Ali Kerimov. In november 1998 werd Elchibey aangeklaagd voor het belasteren van de president, de laatste in een serie van processen en aanklachten sinds Alijev aan de macht is. Het Volksfront is ideologisch moelijk te plaatsen. Nationalisme speelt een belangrijke rol. Er bestaat echter ook een aanzienlijke liberale stroming binnen het Volksfront. Vice-voorzitter Ali Kerimov woonde verschillende congressen van de Liberale Internationale bij. De Azerbajdzjaanse Stichting voor de Ontwikkeling van de Democratie, onder leiding van Assim Mollazade, als vice-voorzitter verantwoordelijk voor internationale betrekkingen, werkt nauw samen met in Bakoe vertegenwoordigde liberale organisaties. Het Volksfront lijkt zich ontwikkeld te hebben tot een echte democratische partij en onderscheidt zich hierdoor duidelijk van de YAP. Al moet hierbij opgemerkt worden dat het democratische gehalte van het Volksfront recentelijk niet door het regeringspluche op de proef is gesteld.
Yeni Musavat (Nieuwe gelijkheid) is een voortzetting van de gelijknamige partij die bestond tijdens de eerste, kortstondige periode van onafhankelijkheid van Azerbajdzjan in 1918 en die toen het land het regeerde. Na de sovjetinvasie weken de leiders van Musavat uit naar Turkije, een land dat zowel vanwege de taal als de religie traditioneel nauwe banden met Azerbajdzjan heeft.
Eind jaren tachtig en begin jaren negentig maakte de huidige leiding van Musavat nog deel uit van het Volksfront. In 1992 werd Musavat heropgericht en in 1993 officieel geregistreerd. Musavat wordt geleid door Isa Gambar die in de periode 1992-1993 voorzitter van de Milli Majlis was.
Sinds Alijev in 1993 de macht overnam, heeft Musavat een leidende rol in de oppositie gespeeld. De partij wordt gezien als intellectueel en veel voormalige ministers en diplomaten uit de tijd van Elchibey-regering zijn nu lid van Musavat. In de aanloop naar de parlementsverkiezingen van november 1995 was het vooral Musavat dat de woede van Alijev over zich afriep door niet aflatende kritiek op zijn bewind. In september van dat jaar werd Tofis Gasimof, de nummer twee op de lijst van Musavat, gearresteerd en beticht van hoogverraad. In oktober 1995 werd de partij helemaal uitgesloten van de verkiezingen omdat de partij onvoldoende geldige handtekeningen onder de lijst zou hebben verzameld. Het campagnehoofdkwartier van Isa Gambar in Soemgait werd meerdere malen het doelwit van inbrekers, naar men zegt in dienst van de overheid. De partij maakt een wat kalmere en meer intellectuele indruk dan het Volksfront. Ook het nationalisme van Musavat, een onontbeerlijk kenmerk van alle politieke partijen in Azerbajdzjan, is duidelijk gematigder. De partij is voorstander van een oplossing van het conflict in Nagorno-Karabach door onderhandelingen, dit in tegenstelling tot het Volksfront.
De Azerbaygan Milli Istigal Partiyasi (AMIP, Azerbajdzjaanse Nationale Onafhankelijkheidspartij) is in een aantal opzichten een unieke partij. De AMIP was de grootste oppositiepartij onder de partijen die wel deelnamen aan de prsidentsverkiezingen van oktober 1998. Het was bovendien de enige partij die, met hulp van Amerikaanse en Britse bondgenoten, moderne technieken zoals opiniepeilingen, focus groups en telemarketing toepaste. De AMIP is dan ook een partij met geld. De leider, Ehtibar Salidar oglu Mamedov, heeft een fortuin verdiend in het zakenleven. Het hoofdkwartier van de partij is gevestigd in een kapitaal pand aan de rand van Bakoe omgeven door een riant park. De keuze die deze partij maakte toen ze besloot deel te nemen aan de verkiezingen werd in bloemrijke bewoordingen veroordeeld door de andere leidende oppositiepartijen. Zo werd Mamedov er van beschuldigd eigenlijk op de hand te zijn van Alijev, en Alijevs verkiezing legitimiteit te willen geven door een - symbolische - oppositie te organiseren. Mamedov zou dat gedaan hebben omdat hij Alijev en consorten nodig had en heeft voor zijn zakenbelangen. Feit is wel dat de partij na de deelname aan de verkiezingen duidelijk op de voorgrond kwam. De AMIP diende een klacht in tegen de officiële verkiezingsuitslag bij het constitutioneel hof. De klacht werd weliswaar verworpen, maar omdat de partij deel had genomen aan de verkiezingen had ze recht van klagen en kreeg daardoor de nodige aandacht in de (internationale) media. Het programma van de partij is vooral gericht op de economie. AMIP is de enige partij die zich zorgen maakt over de eenzijdigheid van de economische ontwikkeling van Azerbaöjdzjan -aardolie- en nadenkt over alternatieven.
Vrije media
Tijdens een bijeenkomst in Washington met medewerkers van NDI op 29 juli 1998 kondigde Shahin Alijev, juridisch adviseur van president Alijev, aan dat zo snel mogelijk de censuur in Azerbajdzjan afgeschaft zou worden. Op 6 augustus tekende Alijev inderdaad een decreet dat een einde maakte aan de censuur. Overigens was de censuur op 12 april 1992 ingevoerd door de waaarnemend president Mamedov. De censuur was toen alleen nog van toepassing op militaire zaken, de constante tegenslagen in de oorlog met Armenië moesten verhuld worden, maar werd gaandeweg uitgebreid. Het afschaffen van de censuur slechts twee maanden voor de verkiezingen leverde niet echt een voordeel op voor de oppositie, omdat de tijd te kort was om de gemiste media-aandacht in te lopen. Tot dan toe hadden slechts media die op de hand van Alijev waren vrij kunnen publiceren. De situatie bleek in de praktijk nog moeilijker dan op papier. Een (oppositie)krant als 'Azadliq' (Vrijheid) had grote moeite met distributie buiten Bakoe, omdat die vanzelfsprekend gecontroleerd werd door staatsbedrijven. De enige electronische media die in heel Azerbajdzjan te ontvangen waren (en zijn), waren de staatsradio en -televisie. En, censuur of geen censuur, deze zenders bombardeerden hun publiek met urenlange positieve programma's over Alijev.
Op aandringen van de OVSE en andere buitenlandse instellingen kregen alle kandidaten, inclusief dus Alijev, zendtijd op de staatstelevisie, een half uur per week. Dat veranderde echter niets aan het feit dat alle nieuws- en actualiteitenprogramma's consequent positief waren over alles wat Alijev deed of liet en negatief over de andere kandidaten. Van onafhankelijke berichtgeving was absoluut geen sprake. In de aanloop naar de verkiezingen beschouwde de OVSE de mediasituatie als een van de belangrijkste obstakels voor werkelijk vrije verkiezingen. In november 1998, dus nadat de buitenlandse verkiezingswaarnemeners vertrokken waren, kreeg de vrije pers de duimschroeven nog verder aangedraaid. Artikelen in diverse kranten over de aankoop van duur onroerend goed in Engeland door familieleden van Alijev resulteerden in aanklachten wegens het belasteren van de president en snelle veroordelingen tot hoge boetes. De hoofdredacteuren van een aantal kranten gingen prompt in hongerstaking. De machtsstrijd tussen de vrije pers en Alijev is voorlopig nog niet voorbij.
De OVSE
De OVSE hield van 18 tot en met 22 mei 1998 in Wenen een serie bijeenkomsten met de Azerbajdzjaanse autoriteiten om het ontwerp van de wet op de presidentiële verkiezingen te bespreken. De experts van het Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR) van de OVSE deden een serie aanbevelingen die ten dele werden opgevolgd.
De OVSE bleef echter bezorgd over een aantal aspecten van de kieswet. Een van de belangrijkste problemen was de Centrale Kiesraad. Deze raad was verantwoordelijk voor de organisatie van de verkiezingen maar ook voor het oplossen van eventuele problemen en het afhandelen van klachten over de gang van zaken tijdens de verkiezingen. De kiesraad werd bijna helemaal met aanhangers van Alijev bemand. Hoewel er verplichte roulatie bestaat en het lidmaatschap maximaal negen jaar mag duren, zijn er geen regels die garanderen dat de samenstelling in de toekomst representatiever wordt dan nu het geval is. Het eerste conflict bij volgende verkiezingen ligt dus al klaar. Een ander punt van kritiek van de OVSE was dat de Azerbajdzjaanse niet-politieke waarnemers niet in de stembureaus aanwezig mochten zijn. Buitenlandse waarnemers en Azeröbajdzjaanse politieke waarnemers mochten wel tijdens de stemming aanwezig zijn, maar niet tijdens het tellen van de stemmen. Bovendien hadden de waarnemers geen recht op gewaarmerkte kopieën van ingediende klachten noch van de resultaten van de telling in het stembureau. Dit laatste liet de mogelijkheid open dat klachten 'verdwenen' en dat er met de resulaten per stembureau gerommeld kon worden nadat die verstuurd waren aan de Centrale Kiesraad.
Ook na de discussies met het ODIHR bleef er onduidelijkheid over de rol van de politie. Geüniformeerde agenten konden nog steeds te pas en te onpas de stembureaus binnenkomen, iets wat bij vorige verkiezingen vaak had geleid tot intimidatie van kiezers. Een voorstel van het ODIHR om de politie slechts bij verstoring van de openbare orde in het stembureau toe te laten met de verplichting direct te vertrekken zodra de problemen opgelost waren, werd niet overgenomen door het Azerbajdzjaanse parlement.
Uiteindelijk hielden de meeste oppositiepartijen vast aan hun boycot van de verkiezingen. De voornaamste redenen waren het gebrek aan toegang tot en objectiviteit van de staatmedia en het gebrek aan vertegenwoordiging in de Centrale Kiesraad, dezelfde dus als de kritiekpunten van de OVSE. De boycot was in zekere zin een succes. Het leverde veel internationale aandacht op voor de situatie in Azeröbajdzjan. Alijev wilde graag de schijn van democratie ophouden en had er dus alle belang bij dat de oppositiepartijen mee zouden doen. Hij deed dan ook een aantal concessies; een klein aantal plaatsen in de Centrale Kiesraad werd toegewezen aan de oppositie, een aantal aanbevelingen van de OVSE werd overgenomen en alle partijen kregen hun half uur zendtijd op televisie. Ondanks die kleine concessies was en bleef het standpunt van de oppositie en veel van de buitenlandse waarnemers dat vrije en eerlijke verkiezingen onder die omstandigheden niet mogelijk waren.
Desalniettemin kan men (achteraf) vraagtekens plaatsen bij het nut van de boycot. Ten eerste zou deelname aan de verkiezingen de oppositie in een sterkere positie gebracht hebben bij het leveren van kritiek over de gang van zaken en het zou de mogelijkheid geboden hebben formele klachten in te dienen bij de Centrale Kiesraad en bij het Constitutionele Hof. De AMIP heeft dit wel en zelfs met veel verve gedaan.
Daarnaast hadden de verkiezingen bij deelname van Musavat en het Volksfront een daadwerkelijke krachtmeting tussen regering en oppositie kunnen zijn. Natuurlijk had men de officiële uitslag waarschijnlijk met een korreltje zout moeten nemen, en de Azeri zouden dat zeker gedaan hebben, maar het zou toch een sterke indicatie van de kracht van de oppositie zijn geweest. Een gezamenlijk resultaat van Volksfront en Musavat van bijvoorbeeld 20 of 30 procent was een prachtig signaal voor hen geweest. Natuurlijk zouden Alijev en de zijnen de stembusuitslag gemasseerd hebben, maar de aanwezigheid van binnenlandse en buitenlandse waarnemers zou het bewind toch tot enige beperking genoopt hebben, teveel geknoei is niet te verbergen en zou zeker kritiek uitgelokt hebben. Deelname aan de verkiezingen had dus kunnen resulteren in een redelijk resultaat of een duidelijke verwerping van dat resultaat door buitenlandse waarnemers, duidelijker dan nu het geval was. Een van de onuitgesproken redenen voor de boycot door de oppositie - naast alle terechte punten van kritiek - was hun angst voor een duidelijke, min of meer eerlijke overwinning voor Alijev.
Naar de stembus
Op 11 oktober 1998 werden dan eindelijk de verkiezingen gehouden. Buitenlandse waarnemers hadden veel kritiek op het verloop van de verkiezingsdag. Het NDI had een delegatie van 22 waarnemers naar Azerbajdzjan gestuurd. De delegatie werd geleid door Mátyás Eörsi, tot voor kort staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van Hongarije, en bestond verder uit politici en deskundigen op het gebied van verkiezingen uit de Verenigde Staten, Cyprus, Duitsland, Georgië, Ierland, Slovenië en Turkije. De NDI-delegatie bracht op 13 oktober een eerste verklaring uit over de verkiezingen. Hoewel er op dat moment nog geen officiële uitslag was en evenmin uitspraak was gedaan over een aantal ingediende klachten, kon toch al een aantal conclusies worden getrokken. In haar verslag spreekt de delegatie van (pogingen tot) intimidatie van zowel buitenlandse als Azerbajdzjaanse waarnemers. De kiesraden op districtsniveau bleken in veel gevallen niet onafhankelijk van de regeringspartij te opereren. In de regio Aghstafa was de delegatie getuige van het 'bijvullen' van de stembus; ongeveer 700 kiezers hadden gestemd, maar de stembus bleek bijna 1.400 stembiljetten te bevatten. Ook in Balachani werden stembussen bijgevuld, in beide gevallen met als resultaat dat het percentage stemmen voor Alijev steeg van minder dan tweederde van de stemmen tot iets daarboven. Tweederde van het aantal stemmen had Alijev nodig om een tweede ronde te voorkomen.
Het International Republican Institute (IRI), de Republikeinse tegenhanger van NDI, bracht op 12 oktober een persbericht uit. Het IRI legde nog eens de nadruk op een aantal positieve ontwikkelingen zoals het afschaffen van de censuur en de verbeteringen in de kieswet die op aanraden van de OVSE tot stand waren gekomen. Echter het IRI bekritiseerde toch het gebrek aan goede wil van de regering. 'Een gemiste kans', concludeerde het instituut.
Ook de delegaties van de OVSE en de Raad van Europa waren ontevreden over de gang van zaken op 11 oktober. In een gezamenlijk persbericht van 12 oktober werden de conclusies van de 150 waarnememers samengevat. Om te beginnen stelden de delegaties vast dat de kieswet zoals die tijdens de verkiezingen van kracht was weliswaar een aanzienlijke verbetering was ten opzichte van zijn voorganger, maar dat dat echter niets afdeed aan het feit, aldus het persbericht, dat alleen de regeringspartij vertrouwen had in deze wet en de bijbehorende instellingen zoals de Centrale Kiesraad. Op de verkiezingsdag zelf zagen de delegaties ernstige problemen met de registers van kiezers en aanzienlijke verschillen tussen het aantal handtekeningen in die registers (het aantal kiezers dat zijn stem uitbracht) en het aantal biljetten in de stembus. Ook deze delegaties waren getuige van het bijvullen van stembussen met biljetten ten gunste van Alijev. Tenslotte werden ook zij gehinderd bij hun werkzaamheden. Op 15 oktober hield de Centrale Kiesraad een persconferentie waar het resultaat van de verkiezingen bekend werd gemaakt:
Totaal aantal kiesgerechtigden 4.253.717
Uitgebrachte stemmen 3.400.000 (79,9 procent opkomst)
Geldige stemmen 3.293.627
Geidar Alijev 2.556.059 (76,11%)
Chanchuseyn Kazimly 8.254 (0,25%)
Ashraf Mechdiyev 28.809 (0,86%)
Ehtibar Mamedov 389.662 (11,6%)
Nizami Suleymanov 270.709 (8,61%)
Firuddin Hasanov 29.224 (0,87%)
tegen alle kandidaten 10.910
Alijev kreeg dus ruim meer dan de tweederde meerderheid die nodig was om een tweede ronde te voorkomen. Zoals al eerder opgemerkt veroordeelde Mamedov, kandidaat van de AMIP, de uitslag direct en hij beschuldigde Alijev ervan zoveel fraude te hebben gepleegd of te hebben laten plegen dat een tweede ronde voorkomen werd. Het Constitutionele Hof in Bakoe verklaarde de klachten ingediend door Mamedov al snel als ongegrond, waarmee de juridische mogelijkheden om de uitslag aan te vechten waren uitgeput. De oppositie, inclusief het deel dat de verkiezingen geboycot had, bleef niettemin doorgaan met het organiseren van demonstraties met als eis dat de verkiezingen ongeldig zouden worden verklaard en dat Alijev en de zijnen vervolgd zouden worden voor stembusfraude.
Na de verkiezingen
Alijev wordt in Azerbajdzjan over het algemeen gezien als de man die een eind maakte aan de oorlog met Armenië, een zekere stabiliteit bracht en die een voorzichtige economische groei in gang heeft gezet. In 1998 kende Azerbajdzjan de hoogste economische groei van het GOS. Er bestaat uiteraard onder de bevolking veel frustratie over de bezetting door Armenië van grote delen van Azeröbajdzjan, maar toch ook de overtuiging dat daar met geweld geen einde aan te maken is, zeker niet zolang Armenië de militaire en politieke steun van Rusland heeft. De meeste binnenlandse en buitenlandse waarnemers zij het er dan ook over eens dat Alijev vrije verkiezingen ook gewonnen zou hebben, al had hij dan wellicht een tweede ronde nodig gehad.
Blijft natuurlijk de vraag waarom Alijev het desondanks nodig vond het democratische proces te frustreren. Wellicht zag Alijev een tweede ronde als een blamage. Waarschijnlijk is echter dat zijn autoritair gedrag is wat de Engelsen een 'knee jerk reflex' noemen. Een levenslange carrière in de Communistische Partij van de Sovjet-Unie en het Comité voor de Staatsveiligheid is niet bepaald een leerschool voor democratie en openheid. Aan deze carrière leek een einde te komen toen hij in januari 1999 in een ziekenhuis in Turkije werd opgenomen vanwege vermeende hartklachten. De president keerde enkele weken later weer huiswaarts en had volgens zijn woordvoerders slechts last gehad van een flinke bronchitis. In de aanloop naar de verkiezingen werd duidelijk dat veranderingen in het Azerbajdzjan van Alijev alleen tot stand komen onder zware druk vanuit Azerbajdzjan zelf maar vooral ook van de (toekomstige) Europese partners. Organisaties als de OVSE en de Raad van Europa zijn voorlopig nog niet klaar met Azerbajdzjan en de aanvraag voor lidmaatschap van de Raad van Europa zal dan ook gebruikt moeten worden om verdere democratisering af te dwingen. Ook na de verkiezingen is er geen echte toenadering tot Armenië gekomen. Weliswaar is er begin maart 1999 in de marge van de NAVO-top in Washington een ontmoeting geweest tussen de Alijev en zijn Armeense ambtgenoot Kotsjarjan, maar deze heeft niet tot tastbare resultaten geleid. Half maart ontmoetten de parlementsvoorzitters van de drie Kaukasische republieken elkaar onder auspiciën van de Raad van Europa in Straatsburg, maar hun verklaring was weinig concreet.
In 1999 worden in Azerbajdzjan lokale verkiezingen gehouden, mede op aandringen van de Raad van Europa. Deze verkiezingen zijn de volgende test voor het democratische gehalte van Azerbajdzjan. Het verloop van de verkiezingen van oktober 1998 stemt niet tot optimisme.
Jan Weijers is beleidsmedewerker (onder meer op het gebied van Oost-Europa) bij de Liberale Internationale in Londen. Hij bezocht Azerbajdzjan in september 1998 en sprak met politici, journalisten en NGO's. Dit artikel is voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Oost Europa Verkenningen, in juli 1999. Oost Europa Verkenningen wordt uitgegeven door het Instituut voor Publiek en Politiek (IPP).
